De Volkeren in de Pruisische voortijd

In de Middelste Steentijd van 10.000 tot 4000 A.C. ligt Pruisen precies op het scheidingsvlak van twee culturen. Ten westen van de rivier de Weichsel werden vooral kleine stenen werktuigen gevonden. Oostelijk hiervan werden in de vindplaatsen vooral werktuigen van been opgegraven. De westelijke stammen bestonden waarschijnlijk uit Indo-Germanen en de oostelijke uit Uraliers.

De jongere Steentijd van 4000 tot 1800 A.C. en de Europese bevolking bestonden uit Indo-Europese volksstammen.

 

Vanaf 2000 A.C. ontstond de bandkeramiek. In Pruisen en Litouwen bestond als onderdeel hiervan de zgn. Haffkust cultuur, genoemd naar de daar liggende merkwaardige langgerekte schiereilanden, de Haffen. Langs de kust bij Danzig en Elbing zijn dorpen uitgegraven waarvan de huizen gebouwd bleken te zijn met massieve  dubbele houten wanden. De bewoners leefden voornamelijk van visvangst en de jacht op zeerobben.

De hierna volgende bronstijdcultuur vond haar wortels in de jong Steentijd. Oostelijk van de Weichsel werd gecultiveerd door voornamelijk Indo-Germaanse Balten wat is vastgesteld op grond van plaatsnamen. Westelijk van de Weichsel werd het land bewoond door de Balten. Rond het jaar 1000 A.C. scheidden de Balten zich in West-Balten, de latere Pruisen, en de Oost-Balten, de latere bewoners van Estland, Letland en Litouwen.

 

De tijd van de grote volksverhuizing van 400 tot 600 n.C. kenmerkt zich door de westwaartse expansie van Slavische volkeren, waarvan de herkomst nog steeds niet geheel duidelijk is.

In de negende eeuw expandeerden de Slaven naar de westelijke zijde van de Weichsel. Overigens waren ook de Noormannen vanaf 800 actief en drongen zijn via de grote rivieren

het land binnen tot aan Krakau toe. Truso was de bekendste Noormannen nederzetting en was gelegen aan het Drausen meer, juist ten zuiden van Elbing.

De geschiedschrijving begint vanaf 1200 met de komst van de Duitse Ridderorde.

 

De plaatsnamen Griebenow, 6 km ten westen van Greifswald (Dld), en Griebenau (nu Pl) juist in de knik van de Weichsel tussen Torn en Kulm, zijn van Slavische origine en zouden dateren van rond het jaar 600 n.C.

Volgens Franz Miklosich komt het woord GRIB in samenstellingen van namen voor nederzettingen, landstukken en wateren, voor over een zeer groot gebied vanuit oostelijk Duitsland naar Polen en Rusland en via Slovenië naar Joegoslavië tot in Griekenland toe.